Juridische Context

Toelichting bij het decreet van 7 maart 2008 betreffende de bijzondere jeugdbijstand

1. Situering

Dit decreet betreffende de bijzondere jeugdbijstand vindt zijn oorsprong in de beleidsmatige veranderingen in de afdeling bijzondere jeugdbijstand ten gevolge van de uitvoering van Proces Implementatie Plan (PIP) /Personeelsplan (PEP) WVCO3 met ondermeer een hertekening van de processen inzake preventie, hulpverlening en bemiddeling met sterke nadruk op cliëntgerichtheid en een nieuwe organisatiestructuur, een daaraan gekoppeld nieuw personeelskader en de invoering van een elektronisch dossier "DOMINO" als sluitstuk van de in het PIP hertekende processen. Het actieplan "reguleringsmanagement 2003-2004" van de Vlaamse overheid en het decreet van 7 mei 2004 "tot omvorming van het Fonds Bijzondere Jeugdbijstand tot het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Fonds Jongerenwelzijn en tot wijziging van de decreten inzake bijzondere jeugdbijstand, gecoördineerd op 4 april 1990" (B.S. 4.VI.2004) zijn tevens belangrijke aanleidingen voor dit decreet.
Dit decreet betreffende de bijzondere jeugdbijstand beoogt de regelgeving inzake bijzondere jeugdbijstand in een goed gestructureerd, duidelijker leesbaar decreet op te nemen. Tegelijk wordt, door het invoegen van specifieke regels met betrekking tot de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, aan hulpverleners en verwijzende instanties hierin de nodige houvast geboden en tegemoet gekomen aan de wettelijke eisen op het gebied van gegevensverwerking die vervat liggen in de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens (Wet Verwerking Persoonsgegevens).

2. decreet betreffende de bijzondere jeugdbijstand

2.1. Coördinatie en codificatie van de decreten inzake bijzondere jeugdbijstand

De keuze om de regelgeving inzake bijzondere jeugdbijstand te coördineren en te codificeren kadert in het Actieplan Reguleringsmanagement 2003-2004 van de Vlaamse overheid (project G26) en werd uitgevoerd in samenwerking met de Kenniscel Wetsmatiging.
Omdat de regelgeving inzake bijzondere jeugdbijstand versnipperd is over verschillende normen en omzendbrieven (met als resultaat ontoegankelijke en onnodig complexe regels), zal deze juridisch-technische vereenvoudiging de transparantie en de begrijpbaarheid voor de gebruiker verhogen.
Het opzet van de coördinatie en codificatie is zeer ruim en situeert zich op vier niveaus: de decreten, de besluiten van de Vlaamse Regering, de ministeriële besluiten en de omzendbrieven. In eerste instantie wordt werk gemaakt van een coördinatie en codificatie van de normen op decretaal niveau.
In het voorliggende decreet worden volgende normen samengebracht:
- de decreten inzake bijzondere jeugdbijstand, gecoördineerd op 4 april 1990 (B.S. 8 mei 1990). Alle wijzigingen aan deze decreten werden opgenomen tot en met het decreet van 7 mei 2004 "wat betreft de gerechtelijke jeugdbijstand ter bescherming tegen mishandeling en verwaarlozing in urgente gevallen" (B.S. 14 juli 2004);
- het decreet van 7 mei 2004 "tot omvorming van het Fonds Bijzondere Jeugdbijstand tot het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Fonds Jongerenwelzijn en tot wijziging van de decreten inzake bijzondere jeugdbijstand, gecoördineerd op 4 april 1990" (B.S. 4 juni 2004).
De coördinatie van die decreten sluit volkomen aan bij de bedoeling van de Vlaamse decreetgever om de decretale bepalingen betreffende het Fonds Jongerenwelzijn te coördineren, zoals verwoord in artikel 14, §2, van voornoemd decreet van 7 mei 2004.
De coördinatie omvat naast een samenvoeging van deze normen ook een herordening van de artikelen en de hoofdstukken. Tevens werd van de gelegenheid gebruik gemaakt om (minimale) inhoudelijke en terminologische wijzigingen aan te brengen. Het is de bedoeling om tot een goed gestructureerd decreet te komen dat duidelijker leesbaar is.

2.2 Invoegen van specifieke regels met betrekking tot de bescherming van de persoonlijke levenssfeer

In vergelijking met de teksten van de gecoördineerde decreten van 4 april 1990 en van het decreet van 7 mei 2004 bevat de tekst van voorliggend decreet ook een aantal nieuwe artikelen.
De gecoördineerde decreten inzake bijzondere jeugdbijstand van 4 april 1990 en de besluiten ter uitvoering van dit decreet bevatten specifieke procedures voor het verzamelen en bewaren van gegevens en de doorstroom van informatie binnen de sector bijzondere jeugdbijstand.
In de loop der jaren werd zowel door de Comités voor Bijzondere Jeugdzorg, de Bemiddelingscommissies als door de sociale diensten van de Comités voor Bijzondere Jeugdzorg en de sociale diensten bij de Jeugdrechtbanken een verschillende invulling gegeven aan deze bepalingen en een eigen handelswijze ontwikkeld. Dit gebrek aan eenvormige werkwijze leidt tot onduidelijkheid en ontevredenheid bij de consulenten, de vrijwilligers en de cliënten.
Alhoewel het voor de invoering van een elektronisch dossier in de diensten van de bijzondere jeugdbijstand niet strikt noodzakelijk is, biedt dit echter wel een goede gelegenheid om meer duidelijkheid te brengen in deze thema's.
Ter voorbereiding van de invoering van het elektronisch dossier "Domino" werd door het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap de opdracht gegeven aan het Instituut voor Sociaal Recht (K.U. Leuven) een juridisch onderzoek uit te voeren naar het wettelijke kader inzake het omgaan met informatie in de bijzondere jeugdbijstand en naar de mogelijke knelpunten die gepaard gaan met de invoering van een elektronisch dossier.
Zowel vanuit juridisch als vanuit beleidsmatig oogpunt wees het onderzoek op de noodzaak een standpunt in te nemen over de mogelijkheid tot gegevensoverdracht tussen de sociale diensten van de buitengerechtelijke en de gerechtelijke jeugdbijstand. De onderzoekers deden de aanbeveling om een keuze tussen enerzijds de principiële scheiding tussen de buitengerechtelijke en de gerechtelijke jeugdbijstand en anderzijds het principe van de continuïteit van de hulpverlening - met de nodige nuances - decretaal te verankeren.
Daarnaast bleek het noodzakelijk om, gelet op het belang van de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens (Wet Verwerking Persoonsgegevens), in de decreten bijzondere jeugdbijstand bepalingen op te nemen die de gecoördineerde decreten afstemmen op de Wet Verwerking Persoonsgegevens.
Daarom werden bepalingen ingevoegd betreffende:
- de doelstellingen van de actoren in de bijzondere jeugdbijstand en de administratiefrechtelijke positionering van deze actoren;
- de verlaging van het instemmingsvereiste van de minderjarigen bij de uitvoering van het hulpverleningsaanbod: rekening houdende met de leeftijd en maturiteit, vanaf blijkt dat de min-twaalfjarige tot een redelijke beoordeling van zijn belangen in staat is of vanaf de leeftijd van 12 jaar;
- het verbod op de gegevensoverdracht tussen vrijwillige en gerechtelijke hulpverlening met specificering van het soort gegevens;
- de regeling van het recht op toegang tot de eigen dossiergegevens met omschrijving van wijze en voorwaarden van de uitoefening van genoemd toegangsrecht;
- nadere omschrijving van het cliëntsysteem m.b.t. het toegangsrecht.
De ingevoegde artikelen beogen dus de regelgeving betreffende de bijzondere jeugdbijstand in overeenstemming te brengen met de Wet Verwerking Persoonsgegevens van 8 december 1992 en weerspiegelen de toenemende aandacht voor de bescherming van de privacy van de gebruiker in de sector van de bijzondere jeugdbijstand. Momenteel bevatten de gecoördineerde decreten inzake bijzondere jeugdbijstand geen specifieke regels met betrekking tot de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.
Over deze bepalingen werd het advies van de Commissie voor de Bescherming van de Persoonlijke Levenssfeer ingewonnen (advies nr. 06/2004 van 10 mei 2004).

2.3. Aanpassingen aan de tekst ten gevolge van het advies van de Commissie ter Bescherming van de Persoonlijke Levenssfeer

In haar advies (n°6/2004 d.d. 19 mei 2004) suggereerde de commissie drie wijzigingen aan het haar voorgelegde decreet tot wijziging van de gecoördineerde decreten inzake de bijzondere jeugdbijstand. Enkel het eerste voorstel tot wijziging werd overgenomen. Het niet-opnemen van de twee andere suggesties wordt gemotiveerd.
Ten eerste stelt de Commissie voor om de term "gecodeerde persoonsgegevens" te gebruiken in plaats van de term "onthoofde gegevens". Deze wijziging is ingegeven door de wens om de tekst van het ontwerp af te stemmen op de terminologie van de privacyreglementering. Door het gebruik van de term "onthoofde gegevens" wilde men initieel de mate van onthoofding laten afhangen van de nagestreefde doeleinden. Volgens de privacyreglementering moet men immers in het raam van de verwerking van gegevens voor statistische doeleinden anonieme gegevens (gegevens die door niemand kunnen worden teruggekoppeld naar een identificeerbaar persoon) hanteren. Slechts als dit niet de gewenste resultaten kan opleveren, is het toegelaten om met gecodeerde gegevens te werken. De Commissie geeft in haar advies aan dat de drempel om te kunnen spreken van anonieme gegevens zo hoog is dat in casu altijd zal worden gewerkt met gecodeerde gegevens. Ze laat (impliciet) toe om steeds te werken met gecodeerde gegevens bij de overdracht naar de administratie. Deze suggestie van de Commissie vergemakkelijkt de na te leven verplichtingen bij de gegevensoverdracht en wordt overgenomen in het ontwerp. Het betreft slechts een minimale terminologische aanpassing.
Tevens suggereert de Commissie voor de Bescherming van de Persoonlijke Levenssfeer om de categorische benadering m.b.t. het inzagerecht weg te werken. Concreet betekent dit dat de "vertrouwelijkheidsuitzondering" waarin het decreet voorziet, niet zou worden ingebouwd in de regeling van het toegangsrecht.
Volgens de Commissie moet elke betrokkene een principieel toegangsrecht hebben tot alle gegevens uit de dossiers die op hem betrekking hebben, ongeacht de bron van waaruit deze werden verzameld. Zelfs de identiteit van de derde die de informatie heeft verstrekt, moet worden bekendgemaakt, tenzij in het geval dat de consulent (na een belangenafweging) oordeelt dat door de kennisgeving van de identiteitsgegevens de privacy van de derde in het gedrang komt. Voor de principiële geheimhouding van vertrouwelijke uitspraken van derden en de opname van een "vertrouwelijkheidsuitzondering" in het decreet, kunnen verscheidene argumenten worden aangehaald.
Gelet op de specifieke opdrachten van de sector, is het noodzakelijk om te voorzien in een mogelijkheid om informatie in vertrouwen mee te delen. Als de vertrouwelijkheidsuitzondering niet wordt opgenomen, valt te verwachten dat beduidend minder informatie zal worden meegedeeld door derden. Dit heeft als gevolg dat de consulent een verkeerd beeld krijgt van de probleemsituatie, een onaangepast hulpverleningsvoorstel formuleert en dat de hulpverlening op basis van vrijwilligheid niet het gewenste resultaat zal opleveren.
Het verbod om de betrokkene in kennis te stellen van vertrouwelijk meegedeelde informatie is een garantie voor de privacy van de gegevensverstrekker. De door de Commissie voorgestelde belangenafweging kan door de consulent uitsluitend worden gemaakt met betrekking tot de meegedeelde informatie en niet met betrekking tot de identiteit van de derde. De vermelding van de identiteit van een derde is immers geen gegeven dat betrekking heeft op de persoon die om toegang vraagt en mag dus volgens de Wet Bescherming Persoonsgegevens aan hem niet worden meegedeeld.
Een doorslaggevend argument om de vertrouwelijkheidsuitzondering op te nemen, is het feit dat artikel 13, 6° van het Decreet Openbaarheid Bestuur (dat van toepassing is op alle administratieve overheden, waaronder ook de buitendiensten in de sector van de bijzondere jeugdbijstand) verplicht om een verzoek tot openbaarmaking af te wijzen als het informatie betreft "die door een derde werd verstrekt zonder dat hij daartoe verplicht werd en die hij uitdrukkelijk als vertrouwelijk heeft bestempeld, tenzij hij met de openbaarmaking instemt". De uitzondering is gebaseerd op deze regeling. Een consulent kan zich steeds op het Decreet Openbaarheid Bestuur beroepen om toegang te weigeren tot de door derden in vertrouwen meegedeelde informatie. Ook in (de voorbereidende teksten voor) het Decreet Integrale Jeugdhulp is een parallelle bepaling opgenomen. De overname van deze uitzondering in het decreet betreffende de bijzondere jeugdbijstand zorgt voor eenvormigheid en duidelijkheid: zowel voor de consulenten, de betrokkenen als de personen die informatie meedelen.
Evenwel in navolging van het advies van de Raad van State is de vertrouwelijkheidsuitzondering uiteindelijk niet op een absolute wijze opgenomen in het decreet. Met andere woorden, de consulent kan zelfs bij weigering van de instemming van de derde toegang tot de ‘als vertrouwelijk bestempelde ’gegevens verlenen indien hij van oordeel is dat de bescherming van de vertrouwelijkheid niet opweegt tegen de bescherming van het recht op toegang.
Ten derde voorziet de tekst van het ontwerp in een exact moment waarop de toegang tot gegevens uiterlijk moet worden toegekend. Door te oordelen dat "elke betrokkene het recht heeft om op elk moment toegang te krijgen tot zijn gegevens, dus niet enkel op het einde van een procedure" geeft de Commissie in haar advies aan dat een inzagebeperking in tijd niet gerechtvaardigd is.
De inschrijving van een uiterlijk tijdstip in het ontwerp vloeit voort uit de eigenheid van de sector van de bijzondere jeugdbijstand. De Commissie houdt enkel rekening met de Wet Bescherming Persoonsgegevens (waarin een algemeen recht op toegang wordt toegekend zonder dat wordt gepreciseerd op welk moment in de procedure dit kan worden afgedwongen) en niet met de andere normen die tegelijkertijd toepassing kunnen vinden. Het Decreet Openbaarheid Bestuur is bijvoorbeeld ook van toepassing. In dit decreet wordt wel een termijn vooropgesteld (artikel 20, § 3: "De beslissing tot inwilliging wordt zo spoedig mogelijk uitgevoerd en uiterlijk binnen dertig kalenderdagen"). Als in het decreet betreffende de bijzondere jeugdbijstand geen specifieke bepaling zou worden opgenomen, kan de consulent de regeling van het Decreet Openbaarheid Bestuur inroepen. Het hanteren van de maximumgrens van 30 dagen zou in het nadeel van de cliënt spelen. Door te voorzien in een korte termijn (15 dagen), in combinatie met een exact tijdstip waarop toegang ten laatste moet worden toegekend, worden maximale garanties inzake transparantie geboden naar de cliënten toe.
De maximumtermijn van 15 dagen is gebaseerd op artikel 22, § 2, laatste lid van het decreet van 7 mei 2004 betreffende de rechtspositie van de minderjarige in de integrale jeugdhulp. Naast deze ‘wachttermijn’ van 15 dagen kan het verlenen van toegang worden uitgesteld tot op een bepaald moment in het hulpverleningsproces. Deze regel is geïnspireerd door artikel 11, 2° Decreet Openbaarheid Bestuur. Op basis van dit artikel kan een verzoek om inzage immers worden afgewezen als het betrekking heeft op documenten die niet af of onvolledig zijn. De consulent zou zich op deze grond kunnen beroepen om toegang tot voorbereidende documenten te weigeren. Om deze reden verdient het aanbeveling om in een decreet betreffende de bijzondere jeugdbijstand een eigen regeling op te nemen die een duidelijke verantwoordelijkheid en afwegingsmogelijkheid toekent aan de consulent. De voorgestelde regeling houdt een goede afweging in tussen de belangen van de cliënt en de werking van de buitendiensten van de bijzondere jeugdbijstand. De cliënt is meer gebaat bij een kwalitatief sterk inzagerecht dan een kwantitatieve toegang. En om dit te realiseren moet de consulent de nodige tijd krijgen (met een uiterste grens op het ogenblik van de uitwerking van het hulpvoorstel) om het dossier voor te bereiden.
Er kan worden opgemerkt dat door het gebruik van de woorden "ten laatste" de mogelijkheid blijft bestaan om eerder dan het uiterlijke tijdstip toegang te verlenen. De hulpverlener behoudt in elk individueel geval een afwegingsmogelijkheid: ofwel verleent hij de betrokkenen reeds in een beginstadium toegang tot alle gegevens, ofwel verkiest hij het werkdossier voorlopig niet mee te delen en kent hij slechts toegang toe op het moment waarop het hulpverleningsvoorstel is uitgewerkt. Door de toekenning van deze minimale vrijheid aan de consulent, wordt van hem verwacht te handelen in het belang van zijn cliënt en van de hulpverlening.
Tenslotte kan worden opgemerkt dat de bepalingen inzake overdracht van dossiergegevens de onvoorwaardelijke goedkeuring meedragen van de Commissie.

2.4. Verlaging van de leeftijd waarop minderjarigen met de hulpverlening moeten instemmen

Volgens de huidige regelgeving inzake bijzondere jeugdbijstand kan een comité voor bijzondere jeugdzorg (bureau voor bijzondere jeugdbijstand) slechts hulpverlening organiseren die de persoonlijke vrijheid van een minderjarige raakt "met de instemming van de minderjarige wanneer deze de leeftijd van veertien jaar heeft bereikt, of nadat de minderjarige werd gehoord wanneer hij jonger is dan veertien jaar" (artikel 9, §2, 4°, van de gecoördineerde decreten inzake bijzondere jeugdbijstand).
Dit decreet verlaagt de leeftijd van veertien jaar tot twaalf jaar.
Bovendien, rekening houdende met de leeftijd en de maturiteit van de minderjarige, kan de min-twaalfjarige zelfstandig instemmen als blijkt dat hij tot een redelijke beoordeling van zijn belangen in staat is. Door deze wijziging wordt gevolg gegeven aan artikel 31 van het decreet van 7 mei 2004 betreffende de rechtspositie van de minderjarige in de integrale jeugdhulp.
Door die verlaging wordt gevolg gegeven aan (de voorbereidende teksten voor) artikel 31 van het decreet van 7 mei 2004 "betreffende de rechtspositie van de minderjarige in de integrale jeugdhulp". Aangezien de bijzondere jeugdbijstand behoort tot de sectoren waarop de integrale jeugdhulp betrekking heeft, moet volgens dat artikel de regelgeving betreffende de bijzondere jeugdbijstand in overeenstemming worden gebracht met de bepalingen van dat rechtspositiedecreet.
Artikel 4, §2, van het rechtspositiedecreet stelt dat de minderjarige het recht heeft om vrij in te stemmen met buitengerechtelijke jeugdhulp als hij tot een redelijke beoordeling van zijn belangen in staat is, rekening houdend met zijn leeftijd en zijn maturiteit. De minderjarige van twaalf jaar of ouder wordt vermoed in staat te zijn tot en redelijke beoordeling van zijn belangen.
In de lijn van deze laatste bepaling en ermee rekening houdend dat het rechtspositiedecreet geen afbreuk doet aan decretale bepalingen die aan minderjarigen ruimere rechten toekennen (artikel 3, §2), wordt de leeftijd om in te stemmen met hulpverlening die door het comité voor bijzondere jeugdzorg wordt georganiseerd, van veertien jaar op twaalf jaar gebracht.Ook in andere bepalingen van dit decreet, waarin aan minderjarigen rechten worden toegekend (zoals het recht op toegang tot persoonlijke gegevens uit zijn dossier bij het comité voor bijzondere jeugdzorg) wordt consequent de leeftijd van twaalf jaar gehanteerd of de maturiteit van de min-twaalfjarige in acht genomen.

2.5. Eén globale tekst: decreet betreffende de bijzondere jeugdbijstand

De doelstellingen van het reguleringsmanagement (minder regels en meer eenvoud) en het streven naar maximale efficiëntie beïnvloeden de keuze voor een decreet waarin, naast een samenbrengen van de teksten van de bestaande decreten, enkele nieuwe en gewijzigde bepalingen zijn opgenomen.
Deze beweging beperkt zich dus niet tot een loutere coördinatie en codificatie. Dergelijke opdracht wordt normaal door volgende elementen gekenmerkt:
-ze wordt ingeleid bij besluit van de Vlaamse Regering met in bijlage de gecoördineerde of gecodificeerde tekst;
-ze kan geen inhoudelijke wijzigingen aanbrengen in de te coördineren of te codificeren teksten. Bij elke twijfel is het aangeraden om de tekst ter bekrachtiging aan de decreetgever voor te leggen.
Het procedé van een coördinatie, waartoe artikel 14, §2, van het decreet van 7 mei 2004 "tot omvorming van het ‘Fonds Bijzondere Jeugdbijstand’ tot het intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid ‘Fonds Jongerenwelzijn’ en tot wijziging van de decreten inzake bijzondere jeugdbijstand, gecoördineerd op 4 april 1990" de Vlaamse Regering machtiging verleent, kan hier dan ook niet worden gevolgd.
Door alle decretale bepalingen betreffende de bijzondere jeugdbijstand in één decreet te bundelen, kan men in de toekomst op een eenvoudige wijze zowel de decreettekst als de integrale toelichting bij de artikelen op één centrale plaats terugvinden, zonder te moeten teruggrijpen naar oude bronnen. In de memorie van toelichting wordt dan ook, in verband met de bepalingen die uit bestaande decreten zijn overgenomen, het relevante commentaar bij die bepalingen overgenomen uit de voorbereidende werken bij de bestaande decreten.

© Juriwel-2008 - Jongeren – decreet betreffende de bijzondere jeugdbijstand
http://www.wvc.vlaanderen.be/juriwel/jongeren/info/decr070308_info.htm

Unless otherwise stated, the content of this page is licensed under Creative Commons Attribution-ShareAlike 3.0 License