Jan

Weerbaarheid van Jongeren

een denk- en doeboek

( Suzanne Cautaert, Veerle Dupont & Ilse Ideler )

Het boek handelt over jongeren die proberen te 'overleven' in een voor hen moeilijke samenleving. Door een Laag zelfbeeld en weinig verbondenheid met anderen, hebben ze vaak nauwelijks controle over emoties als angst, kwaadheid, verdriet of pijn. Door met jongeren te werken aan weerbaarheid – zelfrespect, emoties, grenzen – zullen ze zich beter in hun vel voelen en vertrouwen krijgen in hun eigen mogelijkheden.

Samenstellen van de groep

Zoals het boek stelt, is werken rond weerbaarheid van niet hetzelfde als een sportkamp of danscursus, waar je enkel lol hebt. Hier gaat het om moeilijke en gevoelige thema's waarbij niet iedereen zich even comfortabel voelt. Vaak zijn het heel persoonlijke zaken die voor velen weinig evident zijn. Bij jongeren die wel met de begrippen vertrouwd zijn, komen vaak onverwerkte herrinneringen boven. De volgende aandachtspunten zijn hierbij van belang:
1.vrijwilligheid: Verplichte deelname zal enkel weerstand en ongenoegen oproepen.
2.Grootte: Bij voorkeur: 12 – 16 jongeren.
Kleinere groepen -> moeilijk om de spanning en de dynamiek erin te houden.
Grotere groepen -> komen 'bedreigend' over op heel wat jongeren -> enkel de zelfzekeren komen aan bod.
3.Leeftijd: Het boek is vooral gericht op 14 – 18 jarigen. Als je te vroeg met jongeren zou beginnen werken rond geweld en agressie, kan dit leiden tot het vergroten van angstgevoelens en onzekerheid.
4.Geslacht: Bij meisjes wordt vooral gedacht aan weerbaarheidstrainingen, en bij jongens eerder aan intomen van storend of agressief gedrad. Beiden kunnen echter baat hebben bij werken in gemende groepen.

Heel wat meisjes… Heel wat jongens…
praten gemakkelijk over zichzelf, over emoties, wisselen graag ervaringen uit zijn minder verbaal, praten minder over emoties
behoefte aan veiligheid, verbondenheid, goed inlevingsvermogen meer doe - gericht, minder inlevingsvermogen
voelen moeilijk hun grenzen aan, maar verschuiven ze gemakkelijk voelen moeilijk hun grenzen aan, en gaan gemakkelijk over grenzen van anderen
worden eerder bang dan kwaad worden eerder kwaad dan bang
proberen confrontaties te vermijden, gaan gemakkelijker confrontaties aan, maar kunnen moeilijker nuanceren
geloven vaak niet in eigen fysieke verweermogelijkheden hebben behoefte aan afwisseling en actie
zien zichzelf vaak als slachtoffer, vragen gemakkelijker hulp zien zichzelf vaak als iemand die zich verweert, vragen minder makkelijk om hulp

Meestal delen de jongens en meisjes dezelfde interesses, dezelfde problemen, dezelfde leefwereld. De verschillen die er echter altijd zijn vragen soms om een fundamenteel andere aanpak en methodiek.

De rol van de begeleid(st)er

De begeleider is als rolmodel van onschatbare waarde: veel meer dan bij vrijblijvende thema's maakt het uit wie de begeleider is, welke zijn/haar waarden en normen zijn. Wie zelf niet de eigen irritatie kan beheersen, zal dat ook niet aan jongeren kunnen leren. Wie zichzelf waardeloos voelt, zal nooit de weg naar zelfrespect kunnen tonen.
Je bewust zijn van je eigen normen en waarden is een eerste stap, en daarom is de bereidheid om met rolpatronen, vooroordelen en oude mythes om te gaan essentieel.
Het boek pleit er ook voor om meisjes te laten begeleiden door een vrouw, jongens door een man, en gemengde groepen ook door een gemengd team. Door de gemeenschappelijke ervaringen die zo aan bod komen, wordt gemakkelijker een veilige sfeer gecreëerd. Er wordt ook de vraag gesteld of het een goed idee is om met vaste begeleiders te werken. Deze zaak heeft zijn voor en nadelen:
+: vertrouwensrelatie, goed afstemmen op normen en waarden, en je kunt gemakkelijk de verdere training van de groep opvolgen
-: jongeren kunnen de begeleider soms niet liggen, jongeren hebben schrik dat wat ze vertellen in de toekomst misbruikt zal worden

Werken aan een veilige sfeer

Jongeren moeten zich durven openstellen voor opdrachten, en daarom is een veilige sfeer noodzakelijk. Vaak wordt er in de groepen een 'masker' opgehouden, wat natuurlijk niet goed is. Er wordt van de jongeren verwacht dat ze zich tijdens de oefeningen persoonlijk en kwetsbaar opstellen. Niet, zoals het boek stelt, tot 'in het diepst van hun ziel', maar wel net genoeg om te kunnen leren en groeien. Werken aan een veilige sfeer is niet zo vanzelfsprekend, daarom enkele tips:

  • Bij een nieuw samengestelde groep: hoe minder jongeren elkaar vooraf kennen, hoe gemakkelijker het werken aan veiligheid wordt. Jongeren hebben namelijk vaak volgende houding: "Ik hoef niet meer met jullie op te trekken, dus het kan mij ook weinig schelen wat jullie van mij zullen denken als ik dit vertel."
  • Bij een bestaande groep: Hier liggen de codes over 'goed groepsgedrag' al lang vast, en de jongeren zullen er dus vaak voor zorgen dat de regels en normen netjes onaangetast blijven, wat het werk van de begeleider er niet altijd gemakkelijker op maakt!
tips voor nieuwe groepen tips voor bestaande groepen
introduceer zelf een aantal regels en afspraken d.m.v. het vertellen van eigen voorbeelden, goed gedoseerd gebruik van humor, … probeer tijdens de kennismaking eventuele storende groepsdynamiek op te merken
opbouw van het programma: eerst kennismaking (namenspelletje,… ), daarna regels en afspraken overlopen de vrijwillige deelname van de jongeren zorgt voor een positieve binding tussen hen, wat een goed vertrekpunt is om afspraken en regels op te stellen
vertrouwensspelen als tussendoortje om het groepsgevoel te versterken maak oefeningen die iedere keer een stukje meer veiligheid vragen, zodat de groep iedere keer voor een uitdaging staat
probeer non-verbale communicatie van de jongeren op te vangen, en bespreek dit indien nodig met hen apart in de pauze probeer na te gaan welke regels er al gelden in de groep, hoe die er gekomen zijn, of iedereen erachter staat, en hoe ze indien nodig gewijzigd kunnen worden

Omgaan met weerstanden

Ondanks de vrijwillige inschrijving van weerstanden kun je toch op verschillende weerstanden botsen. Die kunnen openlijk tot uiting komen door vragen en opmerkingen, of 'ondergronds'. Denk maar aan het luidop fluisteren met de buur, papieren vliegtuigjes maken of voortdurend naar het toilet willen. Probeer hierbij contact te maken, interesse te tonen, probeer te achterhalen wat de jongere dwarszit of stoort. Toon hierbij wel geduld: meestal zijn de jongeren oprecht geïnteresseerd in het thema en heeft hun gedrag met iets anders te maken. Het boek geeft een opsomming van de meest voorkomende redenen tot weerstand:

  • Nep-vrijwilligheid: Soms zitten jongeren daar tegen hun zin: Moeder schrijft haar gepeste zoon in, vader eist dat z'n dochter de cursus volgt, of ze mag niet alleen op stap, een opvoedster uit een instelling stuurt jongeren van wie zij vindt dat ze niet weerbaar zijn. Indien de jongeren daar tegen hun goesting zitten, zal de begeleid(st)er dat geweten hebben.
  • Eigen ervaringen met agressie: Jongeren die vroeger reeds met emotioneel, fysiek of seksueel geweld te maken gekregen hebben, hebben zelf 'overlevingsstrategieën' ontwikkeld. Die jongeren hebben angst voor onderliggende emoties, en willen niet dat er aan hun 'beschermlaag' geprutst wordt. De boodschap dat leven met hun overlevingsstrategieën tegenover agressie moeilijk is, wordt door de jongeren vaak als een beschuldiging gezien.
  • Bestaande conflicten in de groep: Spanningen en storingen tussen de jongeren worden soms afgereageerd op de begeleid(st)er, en werken aan de weerbaarheid kan dit niet altijd voorkomen. Hier is het best om de jongeren op hun verantwoordelijkheid te wijzen, en hen de ruimte te geven zelf naar een oplossing te zoeken.
  • Ongewenste aanwezigheid van een andere volwassene: Vaak willen andere volwassenen de weerbaarheidstraining bijwonen. Collega opvoed(st)ers, directeurs en directrices, een psycholoog… Deze worden door de jongeren vaak als buitenstaander beschouwd, en dit brengt dan ook onderliggende weerstand bij hen op. Zeker als dit gebeurd zonder dat hen dat vooraf gevraagd is.
  • Negatieve boodschappen die jongeren krijgen over de training: Het kan voor de jongeren moeilijk zijn te kiezen tussen 'loyaliteit' aan 'oude bekenden' en een leerkracht die een toch wel interessant lijkende training komt begeleiden.
  • Weerstanden rond het thema jongens - meisjes: Dit kan vanzelfsprekendheden omgooien en oude vooroordelen aanwakkeren, en tot vinnige discussies kan leiden. Anderszijds kunnen er ook diepgaande gesprekken en nieuwe inzichten uit voortkomen. Als meningen, vragen, ideëen of opmerkingen hierrond niet geuit worden leiden ze echter vaak tot weerstanden. Vaak probeert wordt de begeleider dan naar zijn/haar sekse getrokken. Ga hier ook niet mee de strijd aan, maar staaf uitspraken en theorie met voldoende voorbeelden en cijfermateriaal.
  • Onbekendheid met de vorminsmethoden: De jongeren worden meestal als 'leerlingen' aangesproken, maar dan zijn zij meer vertrouwd met 'luisteren en opschrijven' dan met 'actief ervaringen uitwisselen en de eigen mening geven'. Het duurt vaak even vooraleer de jongeren hier de voordelen van inzien.
  • Leermoeheid: Weersbaarheidstrainingen worden vaak als leraars omschreven als een 'leuke activiteit' aan het einde van het trimester. Jongerenzijn dan eerder toe aan lekker uitpuffen en ontspannende dingen. En ook al heeft een weerbaarheidstraining best plezierige kanten, de onderwerpen vragen toch om een flinke inzet op emotioneel en verstandelijk vlak. Hou rekening met eventuele vermoeidheidssignalen van de jongeren.

Voor samenvatting, zie: http://www.slideshare.net/jantn/swa-verriest-jan-presentation-832467

photo.php?pid=2878866&id=668657240
Unless otherwise stated, the content of this page is licensed under Creative Commons Attribution-ShareAlike 3.0 License