Doelstellingen_ICT

Hier komen de doelstellingen van het vak ICT.
Ook te vinden op Sadan onder doelstelling !

1. ICT-Kennis

1.1 Algemeen

1.1.0 Voorkennis

Je bezit de primaire vaardigheden van PC-gebruik : opstarten, startmenu, gebruiken snelkoppelingen bureaublad, cursor-hantering, documenten (terug)vinden en openen/wijzigen/opslaan, zich bewegen op internet, afdrukken.
1.1.1 Vaardigheden en kennis

1. Je bewaart documenten onder een passende, correcte extensie en beheert deze logisch en systematisch in een aantal mappen via Windows verkenner (aanmaken, verplaatsen, kopiëren, hernoemen, verwijderen) en geeft hierbij toelichting.
2. Je maakt verschillende programma's in verschillende vensters tegelijk open en kan deze minimaliseren, maximaliseren en overzichtelijk schikken.
3. Je maakt onderscheid tussen besturingssystemen (Windows, Linux, …) en toepassingssoftware (MSOffice; OpenOffice; …) en legt dit in eenvoudige bewoordingen uit.
4. Je herkent en wisselt makkelijk tussen toepassingssoftwareversies (in het bijzonder versies 2003 en 2007 van MSOffice).
5. Je verkent toepassingsprogramma's en de betrokken commando's via de eigene werkbalk/menu's/werklint.
6. Je slaat een aangemaakt document op als pdf-type (via printerdriver pdf995 of aanverwante en/of via opslagfunctie binnen MSOffice 2007).
7. Je hanteert elektronische post (e-mail) om gericht en functioneel studenten en docenten te contacteren, te informeren, een document te bezorgen.
8. Je wisselt delen van diverse documentsoorten uit, je schakelt tussen toepassingen (MSOffice, e-mail, internet) via invoegen, kopiëren, plakken en dergelijke.
9. Je herkent verschillende documentsoorten aan de hand van hun naam-extensie en kent de belangrijkste functies ervan (tekst, beeld, geluid, …).
10. Je roept snelmenu's op via de rechtermuisknop of aanverwante en maakt ervan gebruik.
11. Je hanteert draagbare opslagmedia zoals een usb-stick voor het bewaren, meenemen van documenten.

1.2 Word

1.2.0 Voorkennis

1. Je voegt tekst in en hanteert een basisopmaak (letteropmaak, uitlijning, paginanummers).
2. Je hanteert de opmaakinstrumenten selecteren, knippen, plakken, kopiëren.
3. Je bewaart een document onder een eigen gekozen naam.
4. Je drukt je document of een deel ervan af.

1.2.1 Vaardigheden

1. Je gebruikt gevorderde opmaak : marges; kop- en voetteksten; noten (verwijzingen); …
2. Je werkt met de functies zoeken en vervangen, spelling- en grammaticacontrole.
3. Je voegt tabellen en tekstvakken in, voegt er tekst aan toe en maakt die op (letteropmaak, arcering, randen, …).
4. Je maakt consequent gebruik van de opmaakfunctie opsommingstekens en nummering.
5. Je maakt een tekst op in kolommen.
6. Je maakt een tekstsjabloon op en gebruikt dit.
7. Je werkt met opmaakprofielen voor titeling en subtiteling van je tekstdocument.
8. Je maakt een automatische inhoudstafel op.
9. Je deelt je tekstdocument op in 'secties' met een verschillende basisopmaak (liggend/staande pagina; paginanummer; …).
10. Je hanteert de functie redigeren (controleren, wijzigingen bijhouden).
11. Je hanteert het verwijzingssysteem (noten) in functie van een correcte bronnenverwijzing.
12. Je maakt geen gebruik van "mechanische schrijfmachine-gewoontes" (b.v. vele malen enteren voor nieuwe pagina; correct is combinatie toets ctrl+enter).

1.3 PowerPoint

1. Je maakt een voorstelling op basis van de verschillende basismodi (sjabloon, lege presentatie).
2. Je gebruikt een verschillende dia-opmaak ( enerzijds diastructuren zoals titel, titel subtitel, titel kolommen, … en anderzijds dia-achtergronden).
3. Je voert zowel tekst- als figuurelementen in en maakt die op.
4. Je voert geluid- en beeldfragmenten in.
5. Je hanteert zowel dia-overgangen als aangepaste animaties in de dia's.
6. Je drukt een voorstelling in verschillende modi af (dia's, handouts, overzicht).
7. Je stelt je voorstelling in voor zowel handmatig als automatisch afspelen.
8. Je maakt een eigen sjabloon op en gebruikt dit.

1.4 Excel

1.4.1 Basis

1. Je voert numerieke (ook data-) en tekstgegevens in.
2. Je voegt een werkblad toe, verwijdert en benoemt werkbladen.
3. Je bewaart de ingevoerde gegevens en vraagt deze terug op.
4. Je voegt cellen toe, verwijdert en wist cellen.
5. Je voegt kolommen en rijen toe en verwijdert en verbergt beiden.
6. Je verplaatst, kopieert en voegt nieuwe gegevens in.
7. Je selecteert niet aaneengesloten gegevens en voert deze door.
8. Je voegt opmerkingen toe en wijzigt, verbergt of geeft deze terug weer.
9. Je past relatieve, gemengde en absolute adressering toe.

1.4.2 Formules

1. Je maakt formules aan (basis).
2. Je voegt eenvoudige formules in (som, gemiddelde, Min, Max…).
3. Je voegt datum- en tijdfuncties in (nu, vandaag, rekenen met tijd…). Je hanteert de functie "aantal.als".

1.4.3 Tabellen

1. Je sorteert gegevens in een lijst.
2. Je genereert een eenvoudige tabel via de functie aantal.als of via subtotalen.
3. Je berekent procenten op basis van de aantallen.
4. Je verbetert de opmaak van de tabel (randopmaak en arcering, titel samenvoegen over verschillende kolommen en centreren,….).

1.4.4 Grafieken

1. Je maakt een grafiek op basis van een tabel.
2. Je past de grafiekopmaak aan naar leesbaarheid (assen benoemen, titel, legende….).
3. Je stelt volgende grafieken (en varianten) op : cirkel, kolom, staaf en vlak.

1.4.5 Algemeen

1. Je hanteert pagina-instellingen (pagina, marges, kop- en voettekst).
2. Je bekijkt een werkblad via afdrukvoorbeeld.
3. Je gebruikt de helpfunctie.

1.5 Wikikennis en -vaardigheden

1. Je noemt de mogelijkheden en de beperkingen van een wiki op.
2. Je start een wikisite.
3. Je schrijft behoorlijke teksten die begrijpbaar zijn voor docenten en studenten.
4. Je plaatst een (hyper)tekstbericht en inhoudstafel op de wiki.
5. Je voegt een link, een video en andere documenten (pdf, ppt…), toe aan de wiki.
6. Je voorziet de wiki van een logische structuur.
7. Je onderzoekt de communicatiemogelijkheden van de wiki (chat, discussiefora…).

2. Bronnen

2.1 Inleiding en Blackboard/Toledo

1. Je kent het adres van het Katho Blackboard uit het hoofd.
2. Je logt in (en kent dus ook je login-gegevens).
3. Je weet de weg naar de vakken en de "communities" en je schrijft je ervoor in.
4. Je raadpleegt de diverse onderdelen (Info ICT, Documenten, …).
5. Je schakelt over van het ene onderdeel naar het andere .
6. Je downloadt een document van op de Toledo-site op jouw computer
7. Je verstuurt een e-mail (al dan niet met bijlage) van op de Toledo-site.
8. Je kent de onderdelen binnen de functie groepen : bestandsuitwisseling, discussieforum, e-mail.

2.2 Informatie zoeken en evalueren

1. Je raadpleegt kranten- en tijdschriften op het internet.
2. Je noemt bibliotheeksystemen op het internet op en gebruikt deze.
3. Je vindt allerhande naslagwerken op het internet terug en gebruiken deze (Juriwel, Soka,…).
4. Je evalueert een website op zijn inhoudelijke kwaliteit (criteria maken).
5. Je noemt in functie van een gekozen onderwerp relevante websites op.
6. Je refereert naar een website en neemt deze op in een bibliografie.

2.3 Bibliotheekintroductie

1. Je hanteert BIDOC als catalogus op verschillende niveaus: bidoc 1, 2 en 3.
2. Je komt geregeld in de departementsmediatheek en kent de indeling ervan.
3. Je vindt teksten en boeken terug.

2.4 Referenties maken

1. Je refereert op een verantwoorde wijze naar geraadpleegde informatie.
2. Je hanteert het aangeleerde systeem.

3. E-cultuur

1. Je definieert en/of illustreert de begrippen en personen in de teksten over cyberspace, over de digitale kloof en Web 2.0.
2. Je kent de voor en nadelen van de opgesomde web 2.0 tools, zodat je weet in welke situaties deze al dan niet inzetbaar zijn.
3. Je kent de begrippen en definities in de begrippenlijst.

Unless otherwise stated, the content of this page is licensed under Creative Commons Attribution-ShareAlike 3.0 License